Write about a crime in which you were the victim.

In het boek 712 More Things To Write About staan verschillende onderwerpen om over te schrijven. Af en toe zal ik een van die onderwerpen uitwerken en hier posten!

De deur klapt achter me dicht terwijl ik zo snel als ik kan wegren. Ik zie geen hand voor ogen, tranen lopen over mijn wangen en uit de wond op mijn hoofd drupt bloed. Tussen het geluid van brekende takjes, ritselende blaadjes en mijn eigen gehijg door probeer ik te horen of hij me volgt. Ik probeer in het donker de weg te vinden, maar struikel verschillende keren over uitstekende wortels en losliggende takken. Na de derde val blijf ik even staan en probeer op adem te komen. De kust lijkt veilig, omdat ik achter me geen voetstappen hoorde. Maar als ik stilsta, hoor ik een stem.

‘Je kan niet ontsnappen!’ Het is een zware, diepe stem. Dezelfde stem die mij al die tijd heeft toegesproken, maar waar ik nooit een gezicht bij heb gezien. Zodra ik de woorden hoor, begin ik weer te sprinten. De stem leek vanuit het zuiden te komen, dus ren ik richting het noorden. Maar na een paar seconden verander ik van koers, omdat er vanuit het westen een licht schijnt. Ik ren er naartoe, in de hoop dat daar iemand is die me kan helpen. Ik ren, val, sta op en ren opnieuw. Het licht komt steeds dichterbij. Ineens komt er vanaf links een man. Hij springt in de hoop me te vangen, maar mist. Hij valt op de grond en kan net nog mijn enkel grijpen. Ik struikel, maar weet te blijven staan. Ik probeer mijn enkel los te rukken en schop daarbij de man in zijn gezicht. Van de pijn grijpt hij met beide handen zijn gezicht en laat mij dus los. Zo snel als ik kan ren ik verder naar het lichtje, die nu nog maar een paar meter van me verwijderd is. Als ik dichterbij kom, zie ik dat het een pompstation is. Ik ren naar binnen en stop hijgend bij de kassa.

Het 17-jarige meisje wat daarachter zit, kijkt verbaasd op van het tijdschrift wat ze aan het lezen was. ‘Ik… Man… Donker… Kamer…’ stotter ik. Ik probeer alles uit te leggen, maar ben te uitgeput om goed te kunnen praten. Het meisje staat snel op, loopt naar me toe en leid me naar een kamertje achter de winkel. Er staat een grote tafel en er is een klein keukentje. In de hoek zie ik een kapstok, naast een deur die naar buiten leid. ‘Hier, drink wat.’ zegt het meisje, terwijl ze een glas water op de tafel zet. Ik ga zitten en drink met bevende handen het glas leeg. ‘Gaat het? Waar kom je vandaan?’ Ik knik zachtjes en haal dan mijn schouders op. ‘Ik bel de politie. Die kan je vast helpen.’ Ze pakt een telefoon uit haar zak en belt het alarmnummer. Ik kan amper verstaan wat ze de politie verteld, omdat ik alleen maar mijn eigen bonzende hart hoor.

Na een kort gesprekje legt ze de telefoon neer op tafel. ‘Ze komen eraan.’ zegt ze, terwijl ze opnieuw een glas water voor me inschenkt en naast me komt zitten. Ze legt haar hand op mijn been en kijkt me bezorgd aan. Zo zitten we een tijdje in stilte, terwijl ik probeer rustig te worden. Ik ben veilig, de politie is onderweg, hij kan me hier niet pakken. Voor ik het weet hoor ik al sirenes in de verte, die steeds dichterbij komen. Als de politie het pompstation binnenkomen, brengt het kassameisje ze naar de kamer waar ik zit.

Er komen twee politieagenten binnen, een man en een vrouw en ze geven me beide een hand. Dan gaan ze aan de tafel tegenover me zitten. ‘Wie ben je en wat is er gebeurd?’ vraagt de mannelijke agent. De vrouw pakt een kladblok uit haar tas. ‘Is het goed als ik de dingen uit dit gesprek opschrijf?’ Ik knik naar haar en kijk dan de mannelijke agent aan. ‘Ik ben Valerie… Valerie Hinton.’ Zodra ik dat zeg, kijken de agenten elkaar aan. ‘Valerie… We waren naar je op zoek. Waar was je al die tijd?’ Ik haal diep adem en vertel het verhaal.

‘Toen was aan het fietsen naar een feestje, het was al laat. Aan de zijkant van de weg zag ik een man liggen. Hij leek gewond, dus ik stapte af om hem te helpen. Maar voor ik dichterbij kon komen, werd ik van achter gegrepen. Iemand deed een zak over mijn hoofd, bond mijn handen aan elkaar en sleurde me mee in iets wat voelde als een busje. Na een tijdje rijden werd ik er weer uitgehaald en in een kamer gebracht. Met ijzeren kettingen maakte ze me vast aan een tafel, rukte mijn kleren van me af en…’ Ik stop even en veeg de tranen van mijn gezicht.

‘Ze gebruikte me. Af en toe kreeg ik een slokje drinken en een beetje brood, maar ze hielden me altijd geblinddoekt en vastgebonden. Ik kon niets zien, ik hoorde alleen een zware, diepe stem… Als ik probeerde te praten, sloegen ze me. Op een dag zagen ze dat de kettingen een beetje verroest waren en wilde ze die vervangen. Een van de mannen hield me vast terwijl de ander de kettingen verwisselde, maar ik wist me los te rukken. Toen rende ik zo hard als ik kon weg en kwam uiteindelijk hier…’

Reageer op dit artikel